Verhalen

God gevonden in de gevangenschap

Terug naar overzicht

Danny was twaalf jaar toen hij zijn eerste zakje wiet verkocht. Niet het geld gaf hem een kick – hij groeide op in een zeer welgestelde familie – maar het gevoel van macht. “Jongens van vijftien, zestien jaar hadden mij nodig. Dat gevoel was verslavend. Ik was altijd op zoek naar nog meer macht.” Met zijn handelsgeest schopte hij het ver in het criminele circuit. Zijn zaken floreerden, tot hij werd opgepakt. “Ik ben door God de gevangenis in geschopt,” zegt hij nu. Het levensverhaal van Danny, een imposante vijftiger, is indrukwekkend en complex. Als hij begint te vertellen, vliegen de uren voorbij.

Danny groeide op in de Randstad, in een kerkelijk betrokken en financieel ruim gezin. Zijn vader had een eigen onderneming en was vaak afwezig. Als hij thuis was, regeerde hij met harde hand. Danny leefde afwisselend bij zijn ziekelijke moeder met een au pair, of bij zijn oma, met wie hij een warme band had. In zijn familie waren ‘nette’ ondernemers, maar ook een neef die een theehuis runde en in de drugswereld zat. Via hem begon Danny met het verkopen van wiet. Dat ging hem opvallend goed af.

Toen Danny achttien was, overleed zijn oma. Het verlies raakte hem diep. Het was het moment waarop hij het geloof losliet en ook met school stopte, zonder diploma. Hij begon een eigen theehuis, nam er later nog drie over en stapte uiteindelijk in de productie van MDA-pillen. Hij verdiende enorme bedragen en leefde een luxe leven. “Ik was trots op wat ik had opgebouwd,” zegt hij eerlijk.

Maar dan gaat het mis. Het drugslab wordt ontdekt en Danny wordt opgepakt. Hij belandt dertig maanden in de gevangenis. “Ik vroeg om de justitiedominee, vooral omdat ik dacht dat het me iets zou opleveren.” Wat er daarna gebeurt, had hij niet verwacht. Met brekende stem vertelt hij: “De dominee zei: ‘Toen jij in de baarmoeder zat, was God erbij. God houdt van jou. Je bent zijn geliefde kind.’ Op dat moment wist ik: God laat zich niet gebruiken.”

In die periode hoort Danny over Gevangenenzorg. “Ik had niemand meer. Alles was ik kwijtgeraakt: mijn vrouw, mijn familie, mijn bezittingen, mijn leven.” Kort daarna komt vrijwilliger Jan bij hem op bezoek. De eerste ontmoeting maakt Danny nerveus. “Ik dacht: wie is er zo gek om vrijwillig naar de gevangenis te komen om met mij te praten? Mijn eigen kinderen kwamen niet eens.”

Het contact met Jan verandert alles. “Jan heeft me gered,” zegt Danny zonder aarzeling. “Niet door grote woorden, maar door er gewoon te zijn. Elke keer weer. Hij gaf me moed om door te gaan, om stappen te zetten in het geloof en in een ander leven.” Jan straalde rust en liefde uit, zonder oordeel. “Hij was als een vader, een broer, familie in één. Door hem heb ik ervaren dat ik er nog mocht zijn.”

Inmiddels is Danny vrij, al draagt hij een enkelband. De gevangenis liet diepe sporen na. Nachtmerries over geweld en verlies keren nog regelmatig terug. “Ik heb veel mensen pijn gedaan. Ik draag verantwoordelijkheid voor wat ik heb aangericht.” Zijn keuze voor God betekent niet dat alles nu makkelijk is. Hij leeft met zijn vriendin van een uitkering en de verleidingen zijn er nog steeds. “Na die keuze begint het pas.”

Toch houdt hij vol. “Er is altijd voor mij gebeden, door mijn moeder, mijn oma, mijn tantes. God heeft me niet losgelaten. Anders was ik hier niet meer.” Voor Danny was het zaadje al vroeg geplant. In de gevangenis kreeg het water.